Mystiek bij het Nationaalsocialisme

Wagners 'Arische' versie van de graal heeft heel wat koninklijke Duitse koppen op hol doen slaan. Kaiser Wilhelm vaardigde de ene na de andere expeditie naar de graal uit. Deze traditie werd door de nazi's overgenomen.

In 1933 werd de SS-organisatie 'Ahnenerbe', opgericht, een genootschap voor de studie der nalatenschap der voorvaderen. Toen de dienst, als onderdeel van het uiterst occulte en besloten Thule-genootschap onder leiding van de 'ziener-generaal' Karl Haushofer, in 1939 onder direct commando van Heinrich Himmler kwam te staan, telde ze vijftig afdelingen, gespecialiseerd in de meest uiteenlopende vormen van mythomanie.
Onder leiding van professor Wurst, docent Sanskriet aan de Universiteit van München en kenner van de oude heilige teksten, werden er expedities naar Tibet ondernomen om contacten te leggen met verafgelegen Lama-kloosters, ging men op zoek naar de heilige graal van Parsifal, en namen 'Ahnenerbe'-agenten deel aan alle mogelijke occulte genootschappen en sekten om alle hete snufjes op esoterisch gebied onmiddellijk te rapporteren aan het hoofdkwartier in Berlijn. Werkelijk alles genoot de belangstelling van de generale staf, die zelf ook al bestond uit magisch geïnspireerde en iedere vergadering begon met een concentratieoefening onder leiding van een echte yogi. Alles diende gerapporteerd: van de occulte betekenis van de gotische torentjes en de hoge hoeden van Eton tot de aanwezigheid van de broederschap der Rozenkruisers in het Nieuwe Rijk, kortom, naar alles wat wij tegenwoordig zouden aanduiden als de New Age-leer keken de oppernazi's hongerig uit. Zij streefden naar een complete staalkaart van de mythologie en gebruikten die als basis voor zowel hun wijze van oorlogvoering, hun wetenschap en hun utopieën. Het was ook op basis van die nieuwe 'heidense religie', zoals deze meesters van de Zwarte Orde het graag uitdrukten, dat er onder de vlag van 'Ahnenerbe' de vreselijkste 'medische' en genetische experimenten werden uitgevoerd op de joden en de zigeuners in de concentratiekampen.

Al ver voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, in de jaren twintig, legden de toekomstige nazieheersers zich toe op esoterische genootschappen. Met het op een Germaanse bewerking van de Atlantis-legende draaiende Thule-genootschap beschikte de beweging over een eigen vlot in de wild klotsende zee van geheime gezelschappen en loges, veelal berustend op een westerse bewerking van oosters gedachtegoed als reïncarnatie en astraal verkeer. Rudolf Hess knoopte banden aan met de Britse zwarte magiër Alisteir Crowley en diens Orde van de Tempel van het Oosten en Orde van de Gouden Dageraad. Rudolf Hess liet zich in Egypte in Crowleys geheime loge inwijden.
De al evenzeer van het Thule-gedachtengoed doordrongen Himmler beschouwde zichzelf als de reïncarnatie van keizer Hendrik I de Vogelaar en bleef tot de laatste snik objecten verzamelen waaraan hij een hogere metafysische kracht toedichtte.

De Nazi's veronderstelde dat in de Heilige Graal het bloed van Jezus zou zitten die je buitengewone krachten zou. De nazi's waren helemaal geobsedeerd door het occulte en hadden zelfs een schilderij met Hitler als Graalridder afgebeeld. Hitler baseerde zijn SS op de Duitse Tempeliers. Hitler wilde alle relikwieën (overblijfselen van lichamen van heiligen of van voorwerpen die in nauw verband met hen hebben gestaan) in zijn bezit krijgen want als hij de magische speer van de Romein die Jezus zij doorboorde en de Graal zou samenvoegen, dan zou de tijden van Karel de Grote weer herleven en zou Europa één worden. De bindende factor van het samenvoegen is het bloed van Jezus Christus.

 


Hitler als Gralridder
Deze poster werd in 1936 gepubliceerd, echter korte tijd later weer ingenomen.

 

Terwijl de oorlog in volle gang was, stuurde Hitler diverse hoge SS-officieren op een geheime missie om de Heilige Graal te bemachtigen. Afgaande op aanwijzingen in de Parzifal, een middeleeuwse tekst van Wolfram van Eschenbach over Percevals zoektocht naar de Graal, en bij Duitse geleerden en dichters uit de Middeleeuwen, vertrok de groep naar Montségur in de Franse Pyreneeën.
In opdracht van het wetenschappelijke bureau van de SS Ahnenerbe zocht Otto Rahn, auteur van het in 1934 verschenen Kreuzzug gegen den Gral, in de Franse Pyreneeën zeer verwoed naar de graal. In 1939 overleed Rahn onder verdachte omstandigheden, hetgeen in de jaren zestig en zeventig een bron van inspiratie zou blijken voor een nieuwe generatie magische realisten. De missie van de Nazi's leverde overigens niets op.

Ondertussen vergaderde de Fuhrer zelf aan de lopende band met de befaamdste occultisten over de verdere oorlogsstrategieën, terwijl zijn huishoroscooptrekker geen moment van zijn zijde week. Naarmate de ineenstorting van hun Rijk naderbij kwam, werd dat geloof in de superioriteit van hun mystieke netwerk alleen maar groter bij de topnazi's. De almaar massaler opgevoerde bevelen tot het uitvoeren van mensenoffers kwam voort uit een behoefte aan bloeddoordrenkte symboliek die terugging naar het tijdperk van de Maya-indianen. De tot het laatst toe volgehouden dreigementen aan het geallieerde kamp dat de nazi's snel de beschikking zouden krijgen over een wapen met allesvernietigende kracht, kwam regelrecht voort uit de theorieën van het Thule-genootschap op het gebied van de 'holle aarde'. In navolging van de Russische soefi-magier Gurdjieff beleed Hitler een diep geloof in buitenaards leven, die hij als zijn voornaamste bondgenoot beschouwde tijdens zijn heilige missie op de planeet Aarde.
Zij zagen zichzelf als de Meesters van het Universum, tot in de beklaagdenbanken van de Neurenbergse processen aan toe, voor zover ze die haalden.

 


Kasteel Wewelsburg, het middelpunt van Himmlers SS-cultus.

 

In feite borduurden de nazi's voort op de traditie van de monarchen en edellieden die hen voorgingen met hun nadrukkelijke mythomanie en geloof in de alles controlerende kracht van magierschap en toverij uit de school die teruggaat op de theosofische traditie van de Tempeliersorde en diens erfopvolger de Rozenkruizers cq. vrijmetselaars. In een wereld die uitging van het door God gegeven gezag was een vinger in de pap van het occulte altijd een welkom aanvullingsmiddel gebleken. Talloze koningen en prinsen traden in de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw toe tot besloten loges en genootschappen. Zo stond prins Karl van Hessen-Kassel, gouverneur van het hertogdom Sleeswijk-Holstein (1744-1836), onder meer als grootmeester aan het hoofd van de zeer besloten Orde van de Aziatische Broeders, die een reincarnatieleer aanhingen in hun dogma van 'de rotatie van de zielen' en die hun herkenningsteken hadden in een swastika. Wilhelm II, de laastste Duitse Kaiser, stortte zich na zijn vlucht naar huize Doorn ook volop in de mystiek-arische leerstukken en schreef de ene na de andere enthousiaste verhandeling over de zegeningen van de swastika en aanverwante parafernalia uit de wereld van de Indo-Germaanse mystiek.